Mobers & Dings notarissen Mobers & Dings notarissen Mobers & Dings notarissen Mobers & Dings notarissen Mobers & Dings notarissen
Gratis offerte aanvragen Gratis offerte aanvragen

Trouwen, geregistreerd partnerschap, samenwonen

Algemeen - Verschillen tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen - Trouwen en geregistreerd partnerschap - Samenwonen

Algemeen

De gevolgen van het huwelijk en het geregistreerd partnerschap worden in de wet uitgebreid geregeld. Andere samenwonenden worden door de wetgever met veel minder zorg omringd.
Op deze site vindt u informatie over onder meer de verschillen tussen de samenlevingsvormen en op welke manieren door het opstellen van regelingen voorzien kan worden in de behoefte af te wijken van de door de wet gegeven regeling of -als die ontbreekt- zelf afspraken vast te leggen.

Verschillen tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen

Vaak zal in het gesprek met de (kandidaat-)notaris de vraag rijzen welke verschillen bestaan tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven met alleen een (notarieel) samenlevingscontract. Om u hiervan een beeld te geven, vindt u hieronder een overzicht van de belangrijkste verschillen:

  1. Formaliteiten
    Zowel huwelijk als geregistreerd partnerschap komen tot stand bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ook de beëindiging van de relatie is gebonden aan formaliteiten. Huwelijk en geregistreerd partnerschap eindigen bij overlijden van een van de partners, omzetting in geregistreerd partnerschap respectievelijk een huwelijk of door een echtscheiding respectievelijk de inschrijving van een notariële verklaring waaruit van de beëindiging blijkt. Aan 'gewoon' ongehuwd samenleven stelt de wet geen eisen. Een samenlevingscontract is verstandig maar niet verplicht.
  2. Levensonderhoud
    Zowel gehuwden als geregistreerde partners zijn wettelijk verplicht elkaar 'het nodige' te verschaffen. Daarvan kan niet worden afgeweken. De onderhoudsverplichting kàn na beëindiging van de relatie een alimentatieplicht doen ontstaan.
    'Gewoon' ongehuwd samenlevenden hebben jegens elkaar geen onderhoudsplicht. Bij een beroep op de Algemene bijstandswet wordt echter wel het inkomen van degene met wie men een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd, in aanmerking genomen.
  3. Gemeenschap van goederen
    Aan de huwelijksvoltrekking en de registratie van het partnerschap verbindt de wet de algehele gemeenschap van goederen. In beginsel vloeien beide vermogens tezamen tot een gemeenschappelijk vermogen. Ook hetgeen in de toekomst wordt verkregen, wordt gemeenschappelijk. Dat geldt niet voor schenkingen en hetgeen wordt geërfd, als de schenker of de erflater uitdrukkelijk heeft bepaald dat hetgeen van hem verkregen wordt niet in een gemeenschap valt. Het intreden van de gemeenschap van goederen kan worden voorkomen door vóór de huwelijkssluiting of registratie van het partnerschap huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden te maken. Indien 'gewoon' ongehuwd wordt samengeleefd, ontstaat geen gemeenschap van goederen. Wel kan bij ongehuwd samenlevenden door bijvoorbeeld een gezamenlijke aankoop een gemeenschappelijke eigendom ontstaan
  4. Huur
    Indien een gehuwd of een geregistreerd persoon woonruimte huurt voor gezamenlijke bewoning, is diens echtgenoot of geregistreerde partner automatisch medehuurder. Een 'gewoon' ongehuwd samenlevende partner kan pas na twee jaar verlangen dat de verhuurder hem of haar als medehuurder erkent. Binnen die twee jaar loopt de partner van de huurder de kans op straat gezet te worden zonder dat hij of zij daartegen iets kan ondernemen.
  5. Pensioen
    Deelnemers aan een (aanvullende) pensioenregeling bouwen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen (weduwen- en weduwnaarspensioen) op. Daartoe wordt bij het pensioenfonds een pot gevormd. Voor het geval van echtscheiding of beëindiging van geregistreerd partnerschap heeft de wetgever geregeld wat met die pot dient te geschieden. Van toepassing is de 'Wet pensioenverevening bij scheiding'. Deze leidt tot een deling van het tijdens het bestaan van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap opgebouwde ouderdomspensioen. Het nabestaandenpensioen komt, voor zover opgebouwd tijdens het huwelijk, automatisch toe aan de (gewezen) partner.
    De meeste pensioenfondsen kennen voor 'gewoon' ongehuwd samenlevenden een 'partnerpensioen'. Dat is te vergelijken met het (aanvullend) nabestaandenpensioen. Het is iets anders dan het (volks)pensioen op basis van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Om voor het partnerpensioen in aanmerking te komen dient aan enige vereisten te worden voldaan. Die verschillen van fonds tot fonds. Een notarieel samenlevingscontract wordt meestal verlangd.
  6. Erfrecht
    In geval van huwelijk en geregistreerd partnerschap is de langstlevende echtgenoot of partner automatisch erfgenaam zonder dat hiervoor een testament hoeft te worden gemaakt. Volgens de wet erven 'gewoon' ongehuwd samenlevenden niet van elkaar.
    'Gewoon' ongehuwd samenlevenden moeten daarom een testament maken. Dit is niet veranderd niet met de komst van het nieuwe erfrecht op 1 januari 2003.
    In het nieuwe erfrecht, dat op 1 januari 2003 is ingevoerd wordt de erfrechtelijke positie van de langstlevende sterk verbeterd. Ook voor ongehuwd samenwonenden zijn er meer mogelijkheden ontstaan om elkaar goed verzorgd achter te laten.
  7. Successierecht
    Deze belasting wordt geheven over hetgeen uit iemands nalatenschap wordt verkregen. Een langstlevende echtgenoot of langstlevende geregistreerde partner geniet een vrijstelling van ruim 496.324,- (vrijstelling 2004), ongeacht hoe lang het huwelijk of de registratie duurde. Op die vrijstelling wordt echter in mindering gebracht de helft van de waarde van pensioenaanspraken (en dergelijke). De vrijstelling bedraagt echter minimaal 141.807,- (vrijstelling 2004). Over het hetgeen meer dan het vrijgestelde bedrag wordt verkregen, wordt 5-27% successierecht betaald, afhankelijk van de waarde van de verkrijging. Voor 'gewoon' ongehuwd samenwonenden geldt een minder ruimhartige regeling. Indien de gemeenschappelijke huishouding minder dan twee jaar heeft geduurd, bestaat er in principe geen vrijstelling. Na het verstrijken van de periode van twee jaar loopt de vrijstelling in drie jaar geleidelijk op naar hetzelfde bedrag als geldt voor gehuwden. Zo lang de termijn van vijf jaar niet is verstreken wordt belasting geheven naar een tarief van 41-68%. Pas na vijf jaar valt men in het gehuwden-tarief (5-27%).
    In een samenlevingscontract kan, voor zover het gemeenschappelijke goederen betreft, via een 'verblijvingsbeding' de heffing van successierecht ook binnen voormelde periode van vijf jaar worden voorkomen. Hetgeen verkregen wordt, moet dan wel gemeenschappelijk eigendom zijn geweest.Op voormelde "vijf-jaars termijn" is een uitzondering voor samenwoners die langer dan 6 maanden:
    • samenwonen;
    • ingeschreven staan op een woonadres in de gemeentelijke basisadministratie;
    • en de zorgverplichting hebben vastgelegd in een notarieel samenlevingscontract;
    hebben direct een vrijstelling van € 467.848,- (vrijstelling 2002). Dat is anders als de samenwoners bloedverwanten in rechte lijn zijn (bijvoorbeeld ouders of kinderen) of de samenwoners zich voor de heffing van de inkomstenbelasting hadden kunnen laten kwalificeren als partner, maar dit hebben nagelaten gedurende 5 jaar voorafgaande aan het moment van overlijden van een van de samenwoners.
  8. Kinderen
    Van belang is nu of tussen een ouder en een kind 'familierechtelijke betrekkingen' bestaan. Dat heeft gevolgen voor de geslachtsnaam, het gezag (ouderlijk gezag/voogdij), het omgangsrecht en het erfrecht.
    Wanneer sprake is van een huwelijk tussen een man en een vrouw bestaan tussen een uit een huwelijk geboren kind en zijn beide ouders automatisch familierechtelijke betrekkingen. Bij een huwelijk tussen twee vrouwen, geregistreerd partnerschap en 'gewoon' ongehuwd samenleven ontstaan door de geboorte alleen familierechtelijke betrekkingen tussen de moeder(degene die het kind baarde) en het kind. Wanneer een kind tijdens een geregistreerd partnerschap is geboren, hebben de ouder en de partner het gezamenlijk gezag, tenzij er een andere ouder is. Zijn beide geregistreerde partners de ouders van het kind, dan ontstaat gezamenlijk gezag.
    Familierechtelijke betrekkingen tot de vader ontstaan eerst doordat deze het kind 'erkent'. Deze erkenning kan reeds tijdens de zwangerschap geschieden. Men kan ervoor terecht bij de ambtenaar van de burgerlijke stand en bij de notaris.
    Voor de erkenning is in beginsel de toestemming van de moeder nodig en van het kind als deze ouder is dan 12 jaar. Is het kind ouder dan 16 jaar dan is alleen de toestemming van het kind nodig. De rechtbank kan 'vervangende toestemming' geven indien de moeder van het kind weigert om toestemming te geven. Als in een huwelijk van twee vrouwen een kind wordt geboren, is de vrouw die het kind baart de moeder. Maar de vrouw met wie zij is getrouwd, is volgens de wet niet automatisch de andere ouder. Dat is zij pas als zij het kind adopteert. Het huwelijk als zodanig heeft dus voor de relatie tussen deze vrouw en het kind geen gevolgen. Hetzelfde geldt als twee mannen samen een kind verzorgen en opvoeden en één van hen is de vader van het kind. Als zij trouwen, heeft het huwelijk als zodanig geen gevolgen voor de relatie tussen de andere man en het kind. Wel is het zo dat de niet-ouder in een huwelijk van twee vrouwen of twee mannen als stiefouder een onderhoudsplicht jegens de kinderen in het gezin heeft. Deze plicht duurt in elk geval zo lang als het huwelijk duurt. Andere rechten en plichten kunnen er wel komen, maar nogmaals, niet door het huwelijk. Die rechten en plichten kunnen ontstaan door adoptie of door gezamenlijk gezag. De niet-ouder kan het kind adopteren. Hierdoor wordt hij of zij in juridisch opzicht de ouder van het kind. Alle juridische familiebanden met de oorspronkelijke ouder (als die er is) worden dan doorgesneden. Dit is een ingrijpende stap en er gelden dan ook strenge voorwaarden. De tweede mogelijkheid is minder ingrijpend en ligt praktisch soms meer voor de hand. Als de niet-ouder een nauwe persoonlijke band heeft met het kind, kunnen de ouder en de niet-ouder aan de rechter vragen om aan hen het gezamenlijke gezag toe te kennen. De niet-ouder heeft in dat geval dezelfde gezagsrechten en plichten als de ouder. Hij of zij is dan samen met de ouder in alle opzichten verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van het kind. De ouder en zijn of haar echtgenoot kunnen de rechter ook vragen om de achternaam van het kind te wijzigen in die van de ouder of de echtgenoot.
    Over een kind dat tijdens een geregistreerd partnerschap wordt geboren, hebben de ouder en de partner automatisch het gezamenlijk gezag, als er geen andere ouder is. Zijn de beide geregistreerde partners ouder, dan hebben zij het gezamenlijk gezag van rechtswege. Bij geregistreerd partnerschap en 'gewoon' ongehuwd samenleven ontstaan door de geboorte alleen familierechtelijke betrekkingen tussen de moeder en het kind. Familierechtelijke betrekkingen tot de vader ontstaan eerst doordat deze het kind 'erkent'. Deze erkenning kan reeds tijdens de zwangerschap geschieden. Men kan ervoor terecht bij de ambtenaar van de burgerlijke stand en bij de notaris. Voor de erkenning is in beginsel de toestemming van de moeder nodig. De kantonrechter kan 'vervangende toestemming' geven indien het weigeren van de toestemming als 'misbruik van bevoegdheid' kan worden beschouwd.

Trouwen en geregistreerd partnerschap

Inleiding
Sinds 1 april 2001 is het huwelijk een samenlevingsverband van een man en een vrouw, twee mannen of twee vrouwen. Slechts duurzame ontwrichting van de relatie vormt een grond voor echtscheiding. De vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk worden geregeld door het huwelijksvermogensrecht.
Door middel van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden - in de praktijk spreekt men doorgaans van 'huwelijkse voorwaarden'- kan worden afgeweken van een aantal wettelijke regels. Dat moet vrijwel altijd bij notariële akte.
Al vanaf 1 januari 1998 biedt de wet de mogelijkheid aan twee personen van hetzelfde of van verschillend geslacht om hun relatie bij de burgerlijke stand te laten registreren. Voor de gevolgen van het 'geregistreerd partnerschap' gelden dezelfde wettelijk regels als voor het huwelijk (huwelijksvermogensrecht).
In dit onderdeel van de site zullen gemakshalve overwegend de termen 'huwelijk', 'huwelijkse voorwaarden' en 'echtgenoot' worden gebruikt. Tenzij anders blijkt, geldt hetgeen geschreven wordt dus ook voor partnerschapsvoorwaarden en voor geregistreerde partners.
Algehele gemeenschap van goederen
Door de voltrekking van het huwelijk (waaronder hierna tevens te begrijpen het 'geregistreerd partnerschap') ontstaat een algehele gemeenschap van goederen. Alle schulden zijn in beginsel gemeenschappelijk. Dat betekent dat iedere schuldeiser van de echtgenoten zich kan verhalen op de gehele gemeenschap. Na echtscheiding wordt men ook voor de helft aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden die de ander heeft gemaakt.
Schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen zullen vaak niet tot de gemeenschap behoren omdat de erflater of schenker bepaalt dat hetgeen wordt verkregen niet in een huwelijksgemeenschap valt.
Een voordeel van de gemeenschap van goederen is dat de echtgenoot die niet of weinig inkomsten uit arbeid heeft, deelt in de opbouw van het vermogen. Huishoudelijke en opvoedkundige arbeid wordt aldus indirect beloond.
Ingeval van overlijden van een echtgenoot is de helft van de gemeenschap van goederen zijn nalatenschap. De andere helft behoort op grond van de wet toe aan de andere echtgenoot.
Bij echtscheiding wordt het gemeenschappelijk vermogen gedeeld. 'Redelijkheid en billijkheid' spelen dan een grote rol. Deze kunnen er toe leiden dat bijvoorbeeld een huis of een onderneming (aandelen) worden toegedeeld aan één van beiden en dat de ander genoegen moet nemen met geld. Als een echtgenoot een onderneming drijft is het vaak van belang om huwelijkse voorwaarden te maken. Echtscheiding kan anders te veel gevaren opleveren voor de continuïteit van de onderneming. Bij de regeling mag echter het belang van de echtgenoot van de ondernemer niet uit het oog worden verloren.

Huwelijkse voorwaarden
Door het opmaken van huwelijkse voorwaarden kan worden afgeweken van de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Wie huwelijkse voorwaarden wil maken, heeft in beginsel een grote mate van vrijheid (contractsvrijheid). Maar niet kan worden afgeweken van regels die 'gezinsbescherming' beogen. Zo is altijd de toestemming van de andere echtgenoot vereist voor onder andere het verkopen of met hypotheek belasten van de gezamenlijk bewoonde woning en voor het doen van schenkingen. Ook de wederzijdse onderhoudsplicht is een belangrijke regeling van dwingende aard.
Voor de inrichting van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden zijn onder andere van belang:

  • de wens het bestaande en/of toekomstige inkomen en vermogen te delen;
  • de bereidheid het 'verlies in verdiencapaciteit', dat kan optreden door het uitoefenen van verzorgende en opvoedende taken, te compenseren;
  • de wenselijkheid een onderneming te beschermen tegen de gevolgen van echtscheiding of schulden van de andere echtgenoot;
  • de mate waarin partijen het ouderdoms- en nabestaandenpensioen bij echtscheiding wensen te delen;
  • de verzorging van de overblijvende partner in geval van overlijden.

Een lastig probleem bij het opstellen van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is dat de overeenkomst wordt aangegaan voor een lange duur. Er moet daarom zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat omstandigheden veranderen.

Soorten huwelijks voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden alsmede gebruikelijke bedingen:

  1. Koude uitsluiting
    Koude uitsluiting noemt men de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden waarbij tussen partijen geen enkele gemeenschap van goederen bestaat. Het woord 'koud' heeft betrekking op het feit dat partijen op geen enkele wijze hun inkomen en vermogenstoename verrekenen (delen). Deze huwelijkse voorwaarden zorgen ervoor dat tussen de echtgenoten een minimum aan financiële banden bestaat. Het enige dat hen financieel bindt, is de wettelijke verplichting elkander 'het nodige' te verschaffen.
    Deze huwelijkse voorwaarden houden grote risico's in voor een echtgenoot die, nu of in de toekomst, geen eigen inkomen heeft. Hij of (meestal) zij deelt in geen enkel opzicht in de vermogens-toename die bij de andere echtgenoot optreedt, terwijl hij geen eigen vermogen kan vormen. Niettemin kunnen deze huwelijkse voorwaarden aanvaardbaar zijn, bijvoorbeeld als de economische zelfstandigheid van een partner door het huwelijk niet in gevaar komt of als ouderen trouwen.
  2. Beperkte gemeenschap
    De wet biedt de mogelijkheid om bij huwelijkse voorwaarden voor een beperkte gemeenschap van goederen te kiezen. De gemeenschap omvat dan bijvoorbeeld al hetgeen tijdens het huwelijk wordt verkregen, anders dan door schenking of erfrecht. Voor de rest bestaat dan een gemeenschap, met onder andere het gevolg dat de schulden van ieder der echtgenoten kunnen worden verhaald op de gehele gemeenschap. In de praktijk komen zulke huwelijkse voorwaarden nauwelijks voor. Dat is vooral ook te wijten aan het feit dat de meeste echtgenoten er niet in slagen ieders eigen vermogen én het gemeenschappelijk vermogen uit elkaar te houden.
  3. Verrekenstelsels
    Het elders geschetste bezwaar tegen de 'koude uitsluiting' (geen deling van inkomsten) wordt in de praktijk ondervangen door aan de uitsluiting van iedere gemeenschap een of meer verrekenbedingen toe te voegen.
    Men spreekt van een 'periodiek verrekenbeding' ingeval het beding verplicht tot jaarlijkse verrekening van de gespaarde inkomsten. Vaak wordt de verrekening beperkt tot de inkomsten uit arbeid. Rente, dividend en dergelijke vallen er dan niet onder.
    Als de verrekening niet periodiek maar slechts aan het eind van de rit (echtscheiding, overlijden) moet gebeuren, is er sprake van een 'finaal verrekenbeding'.
    In geval van overlijden wordt vaak dan meestal afgerekend alsof algehele gemeenschap had bestaan. Bij echtscheiding wordt van de verrekening uitgesloten hetgeen ten huwelijk is aangebracht en hetgeen krachtens schenking of erfrecht is verkregen.
    Doorgaans worden zowel een periodiek als een finaal verrekenbeding opgenomen. Daardoor wordt voorkomen dat problemen ontstaan doordat geen verrekening gedurende de huwelijksjaren plaatsvindt. Het opnemen van een periodiek verrekenbeding is toch zinvol omdat het de mogelijkheid opent tijdens het huwelijk vermogen over te hevelen van de een naar de ander. Dat kan dan niet als een schenking worden aangemerkt.
    Het verdient aanbeveling in de huwelijkse voorwaarden vast te leggen wat onder 'inkomsten' wordt verstaan. In het algemeen zal daarbij ook moeten worden gelet op de winst die wordt gemaakt in een BV waarin één van beiden de meerderheid of alle aandelen houdt, danwel tevens directeur is. In die hoedanigheid kan hij de hoogte van het inkomen verregaand beïnvloeden.
  4. Kosten van de huishouding
    Meestal wordt overeengekomen dat partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening nemen naar evenredigheid van hun netto-inkomsten (uit arbeid).
    Veelal verdient het aanbeveling te omschrijven wat als kosten van de huishouding wordt aangemerkt. Rente (bijvoorbeeld voor een woninghypotheek) en huur vallen daar zeker onder. Maar ook autokosten, onroerende zaakbelasting en kosten van kinderopvang kunnen daaronder worden begrepen.
    Het aanhouden van een zogenaamde 'en/of-rekening' is praktisch. Ten laste daarvan kunnen bijvoorbeeld de kosten van de huishouding worden betaald. Ingeval gekozen is voor een -verrekenbeding betreffende de inkomsten (uit arbeid), kan ieders inkomen op die rekening worden gestort. Tot het saldo op die rekening zijn beiden dan krachtens het verrekenbeding voor de helft gerechtigd.
    Het gebruik van een en/of-rekening betekent niet automatisch dat het tegoed aan ieder van de partners voor de helft toekomt. Met 'en/of' wordt slechts aangeduid dat de partners zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Het tegoed komt in beginsel toe aan degene die het op de rekening gestort heeft of heeft laten storten.
  5. Inboedel en dergelijke
    Het feit dat iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bij huwelijkse voorwaarden is uitgesloten, verhindert niet dat bijvoorbeeld inboedelgoederen op naam van beide echtgenoten worden 'gezet'.
    Maar inboedel kan ook uitdrukkelijk aan een van beide echtgenoten toebehoren. Indien administratie ontbreekt, zal de bewijslevering echter niet steeds eenvoudig zijn.
    Daarom wordt bijvoorbeeld bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden ten aanzien van de al aanwezige goederen vaak (onaantastbaar) vastgelegd wat van wie is. De (kandidaat-)notaris zal daarom vragen of partijen de aanbreng van ieder van hen gespecificeerd op een lijst willen vermelden. Van alle op de lijst vermelde goederen staat vast wie de eigenaar is en daarover kan geen geschil ontstaan.
  6. Woonhuis
    Het feit dat iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bij huwelijkse voorwaarden is uitgesloten, verhindert niet dat bijvoorbeeld een huis op naam van beide echtgenoten wordt 'gezet'. Tot ieders eigen vermogen behoort dan de helft van dat huis. Schuldeisers van één der echtgenoten kunnen zich dan slechts verhalen op die helft.
    Ingeval een huis geheel of gedeeltelijk op naam wordt gezet van een ander dan degene die de koopprijs betaalt, is het raadzaam de gevolgen van deze betaling schriftelijk vast te leggen. Bij eventuele scheiding, maar ook bij overlijden, kunnen anders grote problemen ontstaan. Het is goed zich door de (kandidaat-)notaris te laten voorlichten.
    Indien het huis wordt gefinancierd met behulp van een hypothecaire lening, behoort de verschuldigde rente tot de kosten van de huishouding. Aflossingen komen voor rekening van de eigenaren in verhouding tot ieders deel in de eigendom. Betaalt de een te veel aan aflossing dan ontstaat een vergoedingsrecht jegens de ander.
  7. Overlijdensrisicoverzekering
    Bij een spaarhypotheek wordt het risico van voortijdig overlijden gedekt door een overlijdensrisicoverzekering.
    Een uitkering op grond van een overlijdensrisicoverzekering wordt met successierecht belast indien voor de verkrijging 'iets' aan het vermogen van de overledene is onttrokken, zoals premies voor de verzekering. Om te voorkomen dat successierecht moet worden betaald dient er op te worden gelet:
    • dat de premies verschuldigd zijn door een ander dan de verzekerde (de overledene), en
    • dat de huwelijkse voorwaarden zodanig zijn ingericht dat premies niet indirect geheel of ten dele voor rekening komen van de verzekerde (de overledene)(bijvoorbeeld via een verrekenbeding).
    Het voorgaande houdt tevens in dat het bij de 'spaarhypotheek' nodig is de premie te splitsen in een spaarpremie en een risicopremie.
    De (kandidaat-)notaris kan u ook over dit moeilijke onderwerp nadere informatie verschaffen.
  8. Pensioen
    Elders werd reeds gewezen op de 'Wet pensioenverevening bij scheiding'. Deze wet regelt de deling bij helfte (de zogenaamde verevening) van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. Bij huwelijkse voorwaarden kan men van die regeling afwijken, onder andere door ook het vóór het huwelijk opgebouwde pensioen in de verevening te betrekken. Ook kan worden afgezien van iedere verevening.

Aangaan, wijzigen of opheffen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk
Tijdens het huwelijk kunnen huwelijkse voorwaarden worden gewijzigd of alsnog worden aangegaan. Aangezien het een overeenkomst betreft, is de medewerking van beide partijen nodig. Voor wijziging (opheffing) kan reden bestaan met het oog op de toekomstige heffing van successierecht maar ook om (meer) evenwichtige economische verhoudingen tussen de echtgenoten te creëren.
Voor het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk is de goedkeuring van de
rechtbank vereist, hetgeen kostenverhogend werkt. Indien men, nadat men is geregistreerd als partners, met dezelfde partner wil trouwen en voor dát huwelijk huwelijkse voorwaarden wil maken (danwel de eerder gemaakte partnerschapsvoorwaarden wil wijzigen), is voor de huwelijkse voorwaarden ook goedkeuring van de rechtbank vereist. Als men de eerder gemaakte partnerschapsvoorwaarden wil handhaven, dan is het niet nodig om ter gelegenheid van het sluiten van het (opvolgend) huwelijk huwelijkse voorwaarden te maken. De partnerschapsvoorwaarden blijven als huwelijkse voorwaarden van kracht.

Checklist huwelijkse voorwaarden
De (kandidaat-)notaris is de deskundige bij uitstek op het gebied van de huwelijkse voorwaarden. Een notariële akte is wettelijk vereist. De inrichting van de overeenkomst hangt echter vooral af van de wensen van partijen. In het overleg met de (kandidaat-)notaris zullen meestal de volgende vragen aan de orde komen:
In hoeverre willen partijen hun vermogen (aanbreng, schenkingen, erfenissen) delen?
Willen partijen hun (arbeids)inkomsten delen?
In welke verhouding nemen partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening?
Dient het belang van een onderneming (BV) bijzondere aandacht te hebben?
Wat moet er geregeld worden ten aanzien van het huis en de financiering daarvan?
Hoe wordt het huwelijk afgewikkeld bij een eventuele echtscheiding?
Wat zijn de gevolgen van het overlijden van één van beiden?
Heeft het aangaan van huwelijkse voorwaarden gevolgen op het gebied van het pensioen?
Waarop dient bij het afsluiten van levensverzekeringen en de betaling van de premie te worden gelet?

Flitsscheiding en de notaris
Inleiding
Sinds 1 april 2001 is het mogelijk om een geregistreerd partnerschap automatisch om te zetten in een huwelijk. Maar het omgekeerde is ook mogelijk.
Omdat een geregistreerd partnerschap anders dan een huwelijk, in onderling overleg - buiten de rechter om - kan worden beëindigd, komt het sindsdien regelmatig voor dat echtgenoten, die hun huwelijk snel willen beëindigen, dit eerst omzetten in een geregistreerd partnerschap en dat vervolgens - zonder tussenkomst van advocaat of rechter - in een dag beëindigen: de zogenoemde flitsscheiding. De taak van de notaris luistert daarbij nauw.
Voor die beëindiging met wederzijds goedvinden gelden blijkens art. 1:80c sub c. twee vereisten:

  1. De partners moeten een overeenkomst over de beëindiging van het geregistreerd partnerschap hebben gesloten;
  2. De partners moeten schriftelijk verklaren dat zij op een bepaald tijdstip de hiervoor bedoelde overeenkomst hebben gesloten. Deze verklaring moet van een datum zijn voorzien en hij moet zowel door beide partners als door een of meer advocaten of notarissen worden ondertekend.

Het geregistreerd partnerschap eindigt door inschrijving van de hiervoor genoemde verklaring in de registers van de burgerlijke stand. De verklaring wordt blijkens art. 1:80d lid 3 alleen ingeschreven indien zij de ambtenaar van de burgerlijke stand uiterlijk drie maanden na het sluiten van de overeenkomst heeft bereikt.
Overeenkomst beëindiging
De overeenkomst over de beëindiging van het geregistreerd partnerschap moet in elk geval de verklaring van de partners inhouden dat hun partnerschap duurzaam is ontwricht en dat zij het willen beëindigen. Daarnaast kunnen in de overeenkomst de volgende onderwerpen worden geregeld:
of en zo ja, tot welk bedrag, aan een geregistreerde partner een uitkering tot levensonderhoud toekomt (alimentatie);
aan wie van de geregistreerde partners gedurende een bepaalde periode het gebruik van woonruimte en inboedel toekomt (in de overeenkomst kunnen de partijen niet onderling bepalen wie van de partners het huurhuis mag blijven wonen, dit moet door een rechter worden aangewezen);
de verdeling van een huwelijksgemeenschap of de verrekening op grond van partnerschapsvoorwaarden;
de verevening of verrekening van pensioenrechten.
De partners zijn niet verplicht deze onderwerpen in de overeenkomst te regelen. Ook als de overeenkomst hierover niets inhoudt is hij geldig.
Nadelen en opmerkingen
De flitsscheiding lijkt in veel gevallen een goede oplossing toch is het heel belangrijk uw persoonlijke situatie te bekijken. Nadelen van en opmerkingen over de flitsscheiding:

  1. Deze manier van scheiden wordt in het buitenland vaak niet geaccepteerd en kan problemen opleveren. Bijvoorbeeld wanneer één van de partners niet de Nederlandse nationaliteit heeft; indien men ooit gaat emigreren; men in het buitenland wil trouwen; indien men op vakantie overlijdt; etc. Heeft één van de partijen uitsluitend een niet-Nederlandse nationaliteit dan is de afweging tussen flitsscheiding en rechtbank heel belangrijk. Met name op het gebied van vermogens-, onroerendgoed- en erfrecht. Wanneer in het buitenland de flitsscheiding niet erkend wordt blijven de partijen in het buitenland gewoon getrouwd.
  2. Gemaakte afspraken zijn niet bekrachtigd door de rechter. Het echtpaar beschikt daardoor niet over een executoriale titel. Financiële afspraken die niet nageleefd worden kunnen niet door de deurwaarder afgedwongen worden. U moet daarvoor nog steeds naar de rechter.
  3. Een uitkeringsinstantie kan nog steeds eventuele alimentatie op een van de partijen proberen te verhalen. Ook wanneer hierover afspraken zijn gemaakt.
  4. Na de flitsscheiding behouden beide ouders samen het gezag over hun minderjarige kinderen. Aanpassing hiervan is alleen mogelijk bij het kantongerecht.

Gezien het bovenstaande is de procedure vooral geschikt voor mensen die en in Nederland zijn getrouwd en beide uitsluitend de Nederlandse nationaliteit hebben en geen kinderen hebben en die geen financiële- en/of alimentatieafspraken hebben.

Samenwonen

Inleiding
Wat kun je regelen in een samenlevingscontract?
Zoals eerder aangegeven worden samenwonenden door de wetgever met minder zorg omringd dan degenen die op grond van een huwelijk of geregistreerd partnerschap samenleven. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat je door te gaan samenleven in beginsel geen recht krijgt op het inkomen of het vermogen van de ander.
In het samenlevingscontract kan dit anders worden geregeld.

Gebruikelijke bedingen

  1. Kosten van de huishouding
    Doorgaans wordt in een samenlevingscontract overeengekomen dat partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening nemen naar evenredigheid van hun netto-inkomsten (uit arbeid). Als inkomsten wordt doorgaans ook beschouwd wat daarvoor in de plaats treedt, zoals studietoelagen, sociale uitkeringen en pensioen.
    Het verdient vaak aanbeveling te omschrijven wat zoal onder de kosten van de huishouding wordt begrepen. Rente (betreffende de woninghypotheek) en huur vallen daar zeker onder. Maar ook autokosten, onroerende zaakbelasting en kosten van kinderopvang kunnen daaronder worden begrepen. Het is vaak ook verstandig om te omschrijven wat onder inkomen wordt verstaan.
  2. Bank- en girorekeningen
    Het aanhouden van een zogenaamde 'en/of-rekening' is praktisch. Ten laste daarvan kunnen de kosten van de huishouding worden betaald. Het tegoed op een en/of-rekening behoort in beginsel niet aan ieder van de partners voor de helft toe. Met 'en/of' wordt slechts aangeduid dat de partners zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Het tegoed komt toe aan degene die het op de rekening heeft gestort of heeft laten storten. Heeft men afgesproken dat hetgeen van de inkomens wordt gespaard bij helfte wordt verdeeld, dan behoort het saldo aan ieder voor de helft.
  3. Inboedel en dergelijke
    Bij het einde van de samenwoning en met het oog op schuldeisers, is het van belang om vast te stellen wat van wie is. Bij een koelkast, magnetron of CD-speler is dat soms moeilijk. In beginsel is de eigenaar degene aan wie het goed is geleverd. Gewoonlijk is dit degene die het goed heeft betaald. Als niet duidelijk is wie eigenaar is, lijkt het redelijk om ieder voor de helft als eigenaar te beschouwen.
    Een en ander maakt duidelijk dat enige administratie gewenst is, als men bijvoorbeeld bij 'scheiding' geen problemen wenst. Rekeningen en bankafschriften kunnen dan later goede diensten bewijzen.
    Aan het samenlevingscontract kunnen lijsten worden gehecht waarop gespecificeerd is vermeld wat door ieder van beiden of gezamenlijk is aangebracht. Deze lijsten hebben een grote bewijskracht. Het is verstandig om daarnaast af te spreken wat geldt voor goederen waarvan dat niet kan worden vastgesteld wie dan de eigenaar is.
  4. Huurwoning
    Het enkele feit dat men met iemand gaat samenwonen, levert geen woonrecht op. In het samenlevingscontract kunnen over het samenwonen afspraken worden gemaakt. Een verhuurder is daaraan uiteraard niet gebonden. Een partner heeft na twee jaar de mogelijkheid om medehuurder te worden van de woning die de ander huurt. De woning moet dan beiden tot hoofdverblijf dienen. Als een woning wordt gehuurd, dan zal het de voorkeur verdienen dat de partners vanaf de dag dat ze gaan samenwonen samen als huurders optreden.
  5. Eigen woning
    Ingeval wordt samengewoond in een huis dat in eigendom toebehoort aan één van beiden, komt de niet-eigenaar in een afhankelijke positie. Eindigt de relatie dan zal hij het pand met moeten verlaten. In het samenlevingscontract kan in dat geval voor een bepaalde periode een voortgezet gebruiksrecht worden toegekend. Ook worden vaak afspraken gemaakt over de verhuis- en inrichtingskosten.
    Overdracht van de helft van de woning aan de ander stuit meestal af op de kosten. Zo is onder andere zes procent overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde van hetgeen wordt overgedragen.
    Om bedoelde afhankelijkheid te voorkomen wordt in een samenlevingscontract vaak afgesproken dat in geval van (toekomstige) aankoop van een huis, dit op naam van beiden zal worden gezet. Het verdient dan wel aanbeveling goed vast te leggen op welke wijze de financiering geschiedt en wat de gevolgen daarvan zijn bij scheiding.
    Indien het huis wordt gefinancierd met behulp van een hypothecaire lening, behoort de verschuldigde rente tot de kosten van de huishouding. Aflossingen komen voor rekening van de eigenaren in verhouding tot ieders deel in de eigendom. Betaalt de een te veel aan aflossing dan ontstaat een vergoedingsrecht jegens de ander.
    Vaak behoeft op een hypothecaire lening of een deel daarvan niet periodiek te worden afgelost. Dan is doorgaans een spaarregeling getroffen. In plaats van aflossingen betaalt men spaarpremies aan een verzekeringsmaatschappij. Gedurende de looptijd van de lening (bijvoorbeeld dertig jaar) wordt dan een bedrag gespaard dat samen met de (gefixeerde) beleggingswinst gelijk is aan het totale geleende bedrag.
  6. Overlijdensrisicoverzekering
    Een uitkering op grond van een overlijdensrisicoverzekering wordt met successierecht belast indien voor de verkrijging 'iets' aan het vermogen van de overledene is onttrokken, zoals premies.
    Om te voorkomen dat successierecht betaald wordt dient er op te worden gelet:
    1. dat de premies verschuldigd zijn door een ander dan de verzekerde (de overledene), en
    2. dat het samenlevingscontract zodanig is ingericht dat premies niet indirect toch geheel of ten dele voor rekening komen van de verzekerde (bijv. via een verrekenbeding of de kosten van de huishouding).
    Het voorgaande houdt tevens in dat het bij de 'spaarhypotheek' nodig is de premie te splitsen in een spaarpremie en een risicopremie. De (kandidaat-)notaris kan u ook over dit moeilijke onderwerp nadere informatie verschaffen.
  7. Verblijvingsbeding
    Elders op de site werd al het een en ander opgemerkt over erfrecht en successierecht.
    Zoals bleek, lopen partijen doorgaans in de eerste vijf jaar van hun samenwoning het risico (ten dele) in het hoogste tarief van het successierecht terecht te komen. Dat kan worden voorkomen door af te spreken dat gemeenschappelijke goederen (bijv. huis en inboedel) bij overlijden van een van beiden voor het geheel, zonder vergoeding, toevallen aan de langstlevende. Over deze verkrijging is dan geen successierecht verschuldigd. Men noemt een dergelijke regeling een 'verblijvingsbeding'. Als partijen langer dan vijf jaar samenwonen moet wel successierecht worden betaald over wat op grond van een verblijvingsbeding wordt verkregen.
  8. Geschillenregeling
    Een contract kan niet alles regelen. Over de uitleg van bepalingen kunnen de meningen verschillen. Vandaar dat in een samenlevingscontract vaak wordt geregeld op welke wijze geschillen zullen worden opgelost.
  9. Einde contract
    Partijen kunnen van mening verschillen over de vraag of de relatie, en daarmee het contract, geëindigd is. Vandaar dat het zinvol kan zijn in het samenlevingscontract te regelen wanneer de relatie is beëindigd. Hetgeen partijen gemeenschappelijk in eigendom hebben, zullen zij dan willen verdelen. Daarover zal overeenstemming moeten worden bereikt.
    In het samenlevingscontract kan een aantal zaken bij voorbaat worden geregeld. Zo kan worden vastgelegd wie in geval van scheiding in het huis mag blijven wonen. Bepaald kan worden dat degene die de bewoning voortzet aan de ander een bedrag zal betalen voor verhuiskosten en kosten van herinrichting. Ook kan worden overeengekomen dat de een gedurende een bepaalde periode aan de ander een bedrag voor zijn levensonderhoud betaalt.
    Indien de woning gemeenschappelijk eigendom is zal bij toedeling aan de een, ook over de lening een nadere regeling getroffen moeten worden. Medewerking van de bank is daarvoor nodig. Voor de verdeling van een huis is een notariële akte nodig.

Checklist samenlevingscontract

De (kandidaat-)notaris is de deskundige bij uitstek op het gebied van samenlevingscontracten. Een notariële akte is weliswaar niet dwingend voorgeschreven maar uit een oogpunt van rechtszekerheid en bewijslevering vaak onmisbaar. Ook voor de toekenning van een partnerpensioen is meestal een notarieel samenlevingscontract vereist. Alvorens de (kandidaat-)notaris een ontwerp van het contract maakt, zal hij ondermeer de volgende vragen stellen:

  • In hoeverre willen partijen hun inkomsten delen?
  • In welke verhouding nemen partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening?
  • Wat behoort tot de kosten van de huishouding?
  • Dient de gezamenlijk bewoonde woning ook gemeenschappelijk eigendom te zijn?
  • Wat is het gevolg van het feit dat de ene partner (mogelijk) meer uit eigen middelen aan de financiering van de woning bijdraagt dan de ander?
  • Hoe wordt de positie versterkt van degene die intrekt bij iemand die enig eigenaar is van de woning?
  • Dienen voor gezamenlijke rekening aangeschafte inboedelgoederen en (andere) huishoudelijke spullen gemeenschappelijk eigendom te zijn?
  • Hoe moet worden aangetoond dat bepaalde zaken niet gemeenschappelijk zijn?
  • Zullen partijen bij voorkeur gezamenlijk als huurder van de gemeenschappelijke woning optreden?
  • Melden partijen elkaar (zo mogelijk) aan als begunstigde voor het partnerpensioen?
  • Op welke wijze zijn overlijdensrisicoverzekeringen formeel geregeld? Is bij de zogenaamde spaarhypotheek een splitsing aangebracht tussen de spaarpremie en de risicopremie?
  • Wat zullen de gevolgen zijn bij het uit elkaar gaan? Wie blijft in de woning? Hoe worden de gemeenschappelijke goederen verdeeld? Dient de ene partner een bijdrage te leveren aan de verhuis- en herinrichtingskosten van de andere?
  • Zou in bepaalde omstandigheden gedurende een bepaalde tijd een alimentatieplicht moeten bestaan?
  • Is het wellicht gewenst dat de partner (niet-ouder) na beëindiging van de relatie nog enige tijd alimentatie betaalt voor het kind van de ex-partner?
  • Wat moet er gebeuren in geval van overlijden? Dient een testament te worden gemaakt ten gunste van de langstlevende partner? Moet onderscheid gemaakt worden tussen de situatie waarin afstammelingen aanwezig zijn en het geval waarin dat niet zo is?
  • Moeten bij overlijden bepaalde goederen niet naar de partner, maar naar de familie van de overledene
  • Op welke wijze dienen geschillen tussen partijen te worden beslist?